choco

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cho·co
enkelvoud meervoud
naamwoord choco choco's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

choco, m.

  1. chocoladepasta
  2. (scheldwoord) mannelijke homoseksueel

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
chocar

choco

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van chocar