choco

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cho·co
enkelvoud meervoud
naamwoord choco choco's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

choco, m.

  1. chocoladepasta
  2. (scheldwoord) mannelijke homoseksueel

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
chocar

choco

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van chocar