chiropractor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chi·ro·prac·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord chiropractor chiropractors
verkleinwoord chiropractortje chiropractortjes

Zelfstandig naamwoord

chiropractor m

  1. (medisch) (beroep) iemand die de chiropraxie of chiropractie beoefent

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be