chipte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chip·te

Werkwoord

vervoeging van
chippen

chipte

  1. enkelvoud verleden tijd van chippen
    • Ik chipte. 
    • Jij chipte. 
    • Hij, zij, het chipte.