chiffon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chif·fon
Woordherkomst en -opbouw
    • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weefsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1900 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord chiffon
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

chiffon o [3]

  1. hele fijne, doorzichtige zijden stof
    • Als laatste is er nog Jenny Packham, een van de favoriete ontwerpsters van Angie. Vorig jaar straalde ze in een zwarte jurk van haar hand op de SAG-awards. Wij raden alvast een strak glittermodel aan, maar ook eentje van chiffon zal haar beeldig staan. [4] 
    • Ook werkte ze met chique materialen als viltachtig wol, crêpe en chiffon. Deze voetbalvrouw speelde tevens met kleur en wisselde wit en zwart met oranje af. [5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen