cheaper
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| cheaper /tʃi.pe/ |
cheapais /tʃi.pɛ/ |
cheapé /tʃi.pe/ |
| eerste groep | volledig | |
cheaper
- (spreektaal) een mondgeluid maken om minachting, afkeer of ergernis te uiten
- «Cette meuf m'a cheapé.»
- Dat wijf maakte een afkeurend geluid naar mij. [1]
- «Cette meuf m'a cheapé.»