charpente
Uiterlijk
- oftewel direct van Oudfrans charpent "statuur, lichaam" (niet geattesteerd tussen de 13de eeuw en de 16de eeuw), oftewel naamwoord van handeling van charpenter. Oudfrans charpent komt via Latijn carpentum "wagen met twee wielen" van een Gallisch woord [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| charpente | la charpente | charpentes | les charpentes |
charpente v
| vervoeging van |
|---|
| charpenter |
charpente
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van charpenter
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van charpenter
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van charpenter
- ↑ charpente (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.