charisma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cha·ris·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn of Grieks, in de betekenis van ‘bovennatuurlijke gave’ voor het eerst aangetroffen in 1923 [1]
  • Van Grieks charisma (genadegave). Van charizomai (iemand welgevallig zijn). Van charis (genade, schoonheid). Verwant met chairein (zich verheugen).
enkelvoud meervoud
naamwoord charisma charisma's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

charisma o

  1. uitstraling
    • Bij de presidentiële verkiezingen bleek charisma het te winnen van ervaring. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen