Naar inhoud springen

chérir

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
chérir
/ʃeʁiʁ/
chérais
/ʃeʁɛ/
chéri
/ʃeʁi/
tweede groep volledig

chérir

  1. koesteren
    «La vérité de 1939-1945 est un trésor à chérir. Il faut écouter tant que c’est possible et autant que possible ce qu’il s’est passé en Europe il y a 80 ans.»[2]
    De waarheid over 1939-1945 is een schat die we moeten koesteren. We moeten zoveel mogelijk luisteren naar wat er 80 jaar geleden in Europa gebeurde.
  1. chérir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994) op Wikipedia (fr) op de website cnrtl.fr op Wikipedia (fr).
  2. Bronlink geraadpleegd op 5 juni 2024 Weblink bron
    Paul Ackermann
    “Un Débarquement qui fait froid dans le dos” (5 juni 2024) op letemps.ch