ceder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ce·der
enkelvoud meervoud
naamwoord ceder ceders
verkleinwoord cedertje cedertjes

Zelfstandig naamwoord

ceder m

  1. (plantkunde) Cedrus, een boom uit het geslacht van coniferen dat behoort tot de dennenfamilie
    • Ceders hebben een bast die bestaat uit dikke ribbels of vierkante richels en wijduitstaande, rechte takken. 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /se̞ˈðe̞ɾ/
Woordafbreking
  • ce·der

Werkwoord

ceder

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ceder
cedía
cedido
volledig
  1. onovergankelijk afnemen, verminderen
  2. opgeven, zich gewonnen geven, zwichten
  3. afzien (van)
  4. resulteren, als gevolg hebben
  5. overgankelijk overdragen, afstaan, geven
Synoniemen