caudaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cau·daal
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'cauda' (staart) met het achtervoegsel -aal

Bijvoeglijk naamwoord

caudaal

  1. (anatomie) met betrekking tot het (staart) uiteinde, ook gebruikt voor het onderste deel van ruggemerg
Vertalingen

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Meer informatie