catechist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·te·chist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord catechist catechisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

catechist m [1]

  1. vrouwelijke religieuse die zich bezig houdt met maatschappelijk werk
    • Kort na de Tweede Wereldoorlog werd Ernst docent moraaltheologie aan het grootseminarie in Hoeven, waar hij zelf in zijn jeugdjaren zijn opleiding had genoten. In 1957 volgde zijn aanstelling tot directeur van de catechisten: vrouwelijke religieuzen die zich bezig hielden met maatschappelijk werk. [2] 
  2. iemand die godsdienstonderwijs geeft
    • Maar niet drugs maar godsdienst moet hun pijn verzachten van het vermoorden van burgers in Oeganda en Soedan: de LRA-leiding verplicht de strijders veel te lezen in de bijbel. De mysticus Kony was vroeger catechist en met zijn spirituele krachten oefent hij een meedogenloze invloed uit op zijn strijders. [3] 
    • De oorlog begon in 1983 en kwam met een vredesverdrag in 2005 ten einde. Dat leidde tot een referendum waarbij de Zuid-Soedanezen voor onafhankelijkheid stemden. Sinds 9 juli vorig jaar is Zuid-Soedan zelfstandig. Maar de jonge staat verkeert nog in een oorlogsroes. „Er is gebrek aan alles”, zucht catechist John Deng als hij in Bentiu op zoek gaat naar zeep en meel. Soedan sloot de grenzen en de handel ligt stil. „Het lijkt alsof de oorlog nooit is gestopt.” [4] 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen