casualiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·sua·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord casualiteit casualiteiten
verkleinwoord casualiteitje casualiteitjes

Zelfstandig naamwoord

casualiteit

  1. het toevallig zijn, de toevalligheid
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen