casco

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cas·co
enkelvoud meervoud
naamwoord casco casco's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

casco o

  1. romp van een gebouw, auto of schip dus zonder de inrichting
    Het gebouw is gestript tot het casco van beton en staal.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • cas·co
enkelvoud meervoud
casco cascos

Zelfstandig naamwoord

casco m

  1. helm
  2. (dierkunde) hoef

Werkwoord

vervoeging van
cascar

casco

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cascar