carpool
Uiterlijk
- car·pool
| vervoeging van |
|---|
| carpoolen |
carpool
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
- Ik carpool.
- gebiedende wijs van carpoolen
- Carpool!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
- Carpool je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | carpool | carpools |
| verkleinwoord |
de carpool m
- (verkeer) groep mensen die gewoonlijk samen naar hun werk reizen in een auto die een van hen bestuurt, met afgesproken toerbeurten of onderlinge vergoedingen
Dit levert een bijdrage aan het doelmatiger gebruik van brandstof, wegen en parkeerruimte; om die reden wordt carpooling vaak bevorderd door overheden en werkgevers in aanvulling op de besparing van benzinekosten voor de deelnemers.- ▸ Mijn vriendin is iemand die altijd als eerste aanbiedt de carpool te organiseren, elke dag vijf kilometer rent en ook nog vanuit haar huis een bedrijf runt.[1]
- Het woord carpool staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "carpool" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Weblink bron Pia de Jong“Hersenpil” (29 augustus 2016) op nrc.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Verkeer in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %