Naar inhoud springen

carpool

Uit WikiWoordenboek
  • car·pool
vervoeging van
carpoolen

carpool

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
    • Ik carpool. 
  2. gebiedende wijs van carpoolen
    • Carpool! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
    • Carpool je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord carpool carpools
verkleinwoord

decarpoolm

  1. (verkeer) groep mensen die gewoonlijk samen naar hun werk reizen in een auto die een van hen bestuurt, met afgesproken toerbeurten of onderlinge vergoedingen
    Dit levert een bijdrage aan het doelmatiger gebruik van brandstof, wegen en parkeerruimte; om die reden wordt carpooling vaak bevorderd door overheden en werkgevers in aanvulling op de besparing van benzinekosten voor de deelnemers.
     Mijn vriendin is iemand die altijd als eerste aanbiedt de carpool te organiseren, elke dag vijf kilometer rent en ook nog vanuit haar huis een bedrijf runt.[1]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. Bronlink geraadpleegd op 2 oktober 2025 Weblink bron
    Pia de Jong
    “Hersenpil” (29 augustus 2016) op nrc.nl op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be