carpool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • car·pool

Werkwoord

vervoeging van
carpoolen

carpool

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
    • Ik carpool. 
  2. gebiedende wijs van carpoolen
    • Carpool! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van carpoolen
    • Carpool je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie