carburer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| carburer |
carburais |
carburé |
| eerste groep | volledig | |
carburer
- verbranden; carbureren [2]
- (spreektaal) prakkeseren, zijn hersens laten werken [1]
- (spreektaal) verzot zijn op
- «Il carbure au rouge.»
- Hij is dol op rode wijn. [1]
- «Il carbure au rouge.»