cameraploeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een cameraploeg in actie
Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·me·ra·ploeg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cameraploeg cameraploegen
verkleinwoord cameraploegje cameraploegjes

Zelfstandig naamwoord

cameraploeg v/m

  1. een groep van mensen die samen een film- of video-opname maken vaak bestaande uit een cameraman, een geluidstechnicus, een regisseur en een presentator.
    • „Ik film gewoon door mijn iPhonecamera, niet via een speciale app. In mijn tas zit nu alleen een klein statief en een geluidszendertje - dat past in een etui - en geen zware en technisch ingewikkelde spullen meer. Een iPhone is veel minder intimiderend dan een hele cameraploeg, dat werkt in mijn voordeel als journalist en filmmaker. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Liza van Lonkhuyzen 6 januari 2017