cambium
Uiterlijk
- cam·bi·um
- Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘steeds aangroeiend weefsel tussen bast en hout’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1857 [1] [2][3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | cambium | cambia |
| verkleinwoord | - | - |
het cambium o
- (beschrijvende plantkunde) steeds aangroeiend weefsel tussen bast en hout
- Het woord cambium staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "cambium" herkend door:
| 52 % | van de Nederlanders; |
| 55 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "cambium" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ cambium op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beschrijvende plantkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 52 %
- Prevalentie Vlaanderen 55 %