Naar inhoud springen

calculer

Uit WikiWoordenboek
  • geattesteerd sinds de 14de eeuw; leenwoord van het Latijns werkwoord calculare, een afleiding van Latijn calculus "steentje", in de specifieke betekenis "steentje van een telraam" [1]
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
calculer
calculais
calculé
eerste groep volledig

calculer

  1. rekenen, becijferen
  2. door goed na te denken iets kunnen voorzien, voorspellen
  3. (spreektaal) in de gaten hebben
    «Les deux mecs, là, ils me suivent depuis un quart, j’les ai trop bien calculés
    Die twee kerels volgen me al een kwartier, ik heb ze wel in de smiezen! [2]
  4. (spreektaal) overwegen, denken aan
    «J’arrête de draguer Marie-Louise, elle me calcule pas.»
    Ik probeer Marie-Louise niet meer te versieren, ze ziet me niet zitten! [2]