Naar inhoud springen

caille

Uit WikiWoordenboek
  • Van een onomatopee quaccola "kwartel" (wat ook Nederlands kwakkel gaf), geattesteerd in de 8ste eeuw in het Reichenau Glossarium. [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  caille     la caille     cailles     les cailles  

caille v

  1. (hoendervogels) "kwartel", vernaculaire naam voor verscheidene hoendervogels die lijken op een kwartel
  2. (spreektaal) liefje, snoesje
    «Comment va ma petite caille
    Hoe is het met mijn lieve kwarteltje? [2]
  3. (spreektaal) meisje, vrouw
    «Y a de la caille ici, on va s'amuser ce soir.»
    Er is hier veel vrouwvolk, we gaan ons vanavond goed amuseren. [2]
  4. (spreektaal) maat, vriend
    «Ça va ma caille
    Hoe is het, vriend? [2]
vervoeging van
cailler

caille

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van cailler
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van cailler
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van cailler