Naar inhoud springen

cabane

Uit WikiWoordenboek
  • ca·ba·ne
enkelvoud meervoud
naamwoord cabane cabanes
verkleinwoord

decabanev/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) loofhut
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  cabane     la cabane     cabanes     les cabanes  

cabane v

  1. (spreektaal) lik, nor, bajes
    «Ça fait un bail qu’on a pas vu Patou, paraît qu’il est en cabane
    We hebben Patou al een eeuwigheid niet meer gezien, hij schijnt in de bak te zitten. [1]