céder
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| céder |
cédais |
cédé |
| eerste groep | volledig | |
céder
- overgankelijk afstaan; overdragen; weggeven; uit handen geven
- onovergankelijk begeven; bezwijken; doorbuigen; niet langer kunnen weerstaan aan een kracht of druk
- onovergankelijk zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen