buzzer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buz·zer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘zoemer’ voor het eerst aangetroffen in 1976 [1]
  • uit het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buzzer buzzers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buzzer m

  1. (verouderd) apparaatje dat trilt als je het belt en door nummercodes een bericht kan ontvangen, het apparaat is vervangen door de mobiele telefoon
    • De huisarts keek op zijn buzzer en zag dat hij de praktijk met spoed moest terugbellen.  
    • Leraren op basisscholen nemen de zoemende buzzers en `maxxers' van hun leerlingen direct in beslag. Maar werkende ouders blijven zo met hun kind in contact. “Als ze om tien over vier niet opneemt, piep ik haar op.' [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Werkwoord

buzzer

  1. (spreektaal) zich snel verbreiden (van nieuws)
    «Connaissant ces lascars ça va buzzer sévère.»
    Die jongens kennende zal het nieuwtje snel rondgaan. [1]

Verwijzingen