buzzer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buz·zer
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord buzzer buzzers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buzzer m

  1. (verouderd) apparaatje dat trilt als je het belt en door nummercodes een bericht kan ontvangen, het apparaat is vervangen door de mobiele telefoon
    • De huisarts keek op zijn buzzer en zag dat hij de praktijk met spoed moest terugbellen.  
    • Leraren op basisscholen nemen de zoemende buzzers en `maxxers' van hun leerlingen direct in beslag. Maar werkende ouders blijven zo met hun kind in contact. “Als ze om tien over vier niet opneemt, piep ik haar op.' [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Frederiek Weeda 13 november 1998