buts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buts
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord buts butsen
verkleinwoord butsje butsjes

Zelfstandig naamwoord

buts v/m [2]

  1. een beschadiging waarbij een voorwerp is ingedeukt of dat er juist een buil is ontstaan
    • Het was niet de enige keer dat een grote voetbaltrofee een buts oploopt. Meest recente voorbeelden zijn die van de deuk in de kampioenschaal van Ajax en de beschadiging van de Spaanse Copa del Rey, beide opgelopen tijdens een rondrit van de spelersbussen door respectievelijk Amsterdam en Madrid. [3] 
    • Dat de baksteen met de nodige kracht door het raampje is gegooid wordt duidelijk als bewoner Basim Shamma (50) laat zien wat de schade is. In de muur tegenover het raam zit een buts op de plek waar de steen tegenaan is gekomen. De steen is vervolgens teruggeketst, want ook in de tegenovergelegen tegelwand zit een buts. [4] 
  2. (figuurlijk) beschadiging in het algemeen
    • Hij noemde daarbij de stad waarin die informatie is opgepikt, waardoor de Russen kunnen achterhalen wie de bron is, vrezen inlichtingenexperts. Dat betekent een flinke buts in het vertrouwen van bondgenoten. [5] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
butsen

buts

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van butsen
    • Ik buts. 
  2. gebiedende wijs van butsen
    • Buts! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van butsen
    • Buts je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.

Verwijzingen