bureel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een bureau in een bureel
Uitspraak
Woordafbreking
  • bu·reel
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bureel burelen
verkleinwoord bureeltje bureeltjes

Zelfstandig naamwoord

bureel o [2]

  1. (Belgisch) een kantoor, de ruimte waarin een bureau staat
    • Met ‘eindelijk’ doelt Jansma op hét gespreksonderwerp in zijn talkshow: Ajax-Feyenoord. De naderende hoogmis van een zondagmiddag die hier, op de burelen van Fox Sports, in een modern kantoorkolos naast de Arena, van nog meer cachet wordt voorzien dan de wedstrijd van oudsher al heeft. Elke bespiegeling is relevant, elk detail wordt besproken. Een kijkcijferrecord lonkt.[3] 
    • Fluwelen handschoenen liggen niet op de burelen van justitie in München. Op de ochtend dat Audi zijn jaarcijfers presenteerde, had op initiatief van de officier van justitie een massale inval plaats bij het autoconcern. Ruim honderd opsporingsambtenaren vielen binnen bij de twee grootste fabrieken en bij zeven andere locaties van Audi.[4]  
     De burelen van de rest van haar collega's bevonden zich aan de achterzijde van het pand.[5]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. bureel op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Fabian van der Poll 3 april 2017
  4. NRC 16 maart 2017
  5. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be