bunzing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een bunzing

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bun·zing
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘marterachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1150 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bunzing bunzingen
bunzings
verkleinwoord bunzinkje bunzinkjes

Zelfstandig naamwoord

bunzing m

  1. (marterachtigen) Mustela putorius op Wikispecies, klein marterachtig, behendig roofdiertje
    • De bunzing gaat bij de jacht vooral op zijn neus en oren af. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Stinken als een bunzing.
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen