buitenwipper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·wip·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenwipper buitenwippers
verkleinwoord buitenwippertje buitenwippertjes

Zelfstandig naamwoord

buitenwipper m

  1. (beroep) iemand die hinderlijke personen weert uit een uitgaansgelegenheid
    Als kind of als discoganger gedraag je je vanzelf een stuk gedisciplineerder bij een deftige onthaalmoeder of tegenover een ernstige buitenwipper', dunkt me.[1]
Synoniemen
  1. uitsmijter

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Rascha Peper NRC 21 juni 2004