buitenstaander

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·staan·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenstaander buitenstaanders
verkleinwoord buitenstaandertje buitenstaandertjes

Zelfstandig naamwoord

buitenstaander m

  1. iemand die niet bij de groep hoort
    • Voor een buitenstaander is carnaval maar een raar feest. 
    • De ondernemer wordt niet gecorrigeerd als hij foute beslissingen neemt en bij zijn vertrek ontstaat intense onrust. Moet zijn opvolger uit de familie komen? Of kan het een buitenstaander zijn? Zakelijke overwegingen en emoties kunnen de interne verhoudingen gemakkelijk ontwrichten. [1] 
     Het toeval wilde dat er geen buitenstaanders waren ingestapt.[2]
     Nee, over de situatie in Noorwegen wilde hij het niet met een buitenstaander hebben en zelfs thuis liever niet, tijdens de etentjes in het weekend in Saltsjôbaden.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. NRC 13 juni 2016
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be