buitelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] buitelen
Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·te·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘tuimelen’ voor het eerst aangetroffen in 1612 [1]
  • frequentatief gevormd uit een onzekere stam met het achtervoegsel -el [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
buitelen
buitelde
gebuiteld
zwak -d volledig

Werkwoord

buitelen

  1. ergatief ergens over de kop heengaan of -rollen
    • Hij was van de trap gebuiteld. 
  2. inergatief over de kop gaan of rollen
    • Er werd gestoeid en gebuiteld en iedereen had plezier. 
  3. elkaar verdringen
    • - De journalisten buitelden over elkaar heen om de beroemde filmster te kunnen spreken. 
    • - Projectontwikkelaars bijvoorbeeld zijn weer helemaal terug. De sfeer in die sector is, na vele magere jaren, plots weer uitstekend en de plannen buitelen over elkaar heen. Op de Provada, de jaarlijkse vastgoedbeurs, steeg het bezoekersaantal vorige week met 6 procent tot een recordhoogte. [3] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen