buikspreek
Uiterlijk
- Geluid: buikspreek (hulp, bestand)
- buik·spreek
| vervoeging van |
|---|
| buikspreken |
buikspreek
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buikspreken
- ... dat ik buikspreek.
- Het woord 'buikspreek' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.