bruutheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bruut·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bruutheid bruutheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bruutheid v

  1. een handeling die ruw, gewelddadig en vernielzuchtig is
    • Over de oorlog in Nederlands-Indië werd thuis weinig gesproken. Vader Johan was dwangarbeider aan de Birmaspoorweg, moeder Grada zat op Java in een interneringskamp. De ouders van Eveline Lenderink-Wensink (68) stonden bloot aan de bruutheid van de Japanse bezetter. Het waren de meest vreselijke jaren in hun leven. Meer dan 70 jaar na het einde van de Japanse bezetting komt ze veel te weten over hun leven tijdens de oorlog. [1] 
    • "Onvoorstelbaar", zegt een verslagen eigenaar Leo Essink. " hoe bestaat het dat mensen de boel zo kunnen slopen en dan de bruutheid ervan. Alle oude ornamenten die de villa karakteriseren zijn nu kapot." De verslagen eigenaar verwacht een schadepost van twintig tot dertig duizend euro. [2] 
    • Vrijdagochtend gingen de rechters in op hoe T. de vrouwen hulpeloos achterliet na zijn daad. ,,onvoorstelbare bruutheid, noemt de rechter het. ,,U heeft totaal gebrek aan mededogen getoond aan de slachtoffers. Ze ondervinden er nu nog last van. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen