bruuskeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bruus·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onheus bejegenen’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • Van het Franse brusquer met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bruuskeren
bruuskeerde
gebruuskeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

bruuskeren

  1. overgankelijk nors en ruw bejegenen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen