brunir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| brunir /bʁy.niʁ/ |
brunissais /bʁy.ni.sɛ/ |
bruni /bʁy.ni/ |
| tweede groep | volledig | |
brunir
- onovergankelijk bruinen [1]; bruin worden
- wederkerend se ~ : bruin worden
- overgankelijk bruinen [2]; bruin maken
- overgankelijk bruineren; metaal polijsten
- overgankelijk bruineren [2]
- ↑ brunir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.