brunchen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brun·chen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brunchen
brunchte
gebruncht
zwak -t volledig

Werkwoord

brunchen

  1. een brunch gebruiken
    • Gaan we zondag vroeg ontbijten, of slapen we uit en gaan we brunchen? 
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

brunchen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brunch
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be