bruis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bruis

Werkwoord

vervoeging van
bruisen

bruis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruisen
    • Ik bruis. 
  2. gebiedende wijs van bruisen
    • Bruis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruisen
    • Bruis je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie