brugklas
Uiterlijk
- brug·klas
- samenstelling van brug en klas
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | brugklas | brugklassen |
| verkleinwoord | brugklasje | brugklasjes |
de brugklas v
- (onderwijs) eerste klas waarin een leerling terechtkomt die van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs gaat
- Volgens De Graaff is van Engels best een kernvak te maken met 15 procent van de lestijd. Maar dan moet de brugklas aansluiten op het niveau dat ze hebben gehaald. „Er zijn lesplannen die voorschrijven hoe je vanaf groep 1 of groep 5 het programma kan invullen. Uitgeverijen spelen daarop in.”[1]
- Het woord brugklas staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "brugklas" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Maarten Huygen NRC 31 mei 2016
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Onderwijs in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %