bromfietser

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

bromfietsers
Uitspraak
Woordafbreking
  • brom·fiet·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bromfietser bromfietsers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bromfietser m [2]

  1. (verkeer) berijder van een lichte motorfiets
    • Acteur Gijs Scholten van Aschat maakt eind deze maand kans op een Gouden Kalf voor zijn rol in de film Publieke Werken. Als puber kwam hij in de cel omdat hij verkleed als agent een bromfietser aanhield. [3] 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Mirjam Remie 16 september 2016