brombeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brom·beer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brombeer bromberen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brombeer m [2]

  1. een vervelend, lastig, knorrig persoon
    • Mijn moeder houdt zielsveel van haar kinderen, maar ik kan me soms niet aan het vermoeden onttrekken dat ze meer heeft verdiend dan ons. Goed, haar nageslacht heeft diploma’s, werk en een soort van leven. Maar echt makkelijk zijn we nooit geweest. Mijn broer is van ons drie het best gelukt maar af en toe een brombeer, mijn zus en ik hebben een persoonlijkheid die al jaren met medicatie in balans wordt gehouden. Misschien, dacht ik, heeft mijn moeder stiekem een vierde nazaat. Een onzichtbaar kind. Een dochtertje dat geen enkele neiging vertoont tot stemmingswisselingen of hysterie. Als Boudewijn Büch iedereen jarenlang mocht wijsmaken dat hij vader was, dan moet ik mijn moeder een Lize gunnen. Iemand die alles voor je doet. Die gezellig en rustig is, slim maar bescheiden. Die alleen maar relaties heeft met mensen die Van Oranje-Nassau heten. Iemand met wie je nog eens op fietsvakantie wil.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen