broebelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. beweging in een vloeistof waarbij er voortdurend bellen naar het oppervlak komen
Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
broebelen broebelend
gebroebel


Woordafbreking
  • broe·be·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
broebelen
broebelde
gebroebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

broebelen

  1. beweging in een vloeistof waarbij er voortdurend bellen naar het oppervlak komen
    • Op het fornuis stond een pan met witte kool, uien en aardappelen te broebelen. [3]
  2. (figuurlijk) een bruisende beweging laten zien
    • Toen was ineens de brandklok beginnen luiden en in een ommezien broebelde de Krakeelhoek van volk. [4]
  3. slecht verstaanbaar of onbegrijpelijk spreken
    • Ze begonnen te waggelen en te broebelen gelijk zatterikken en de een na den anderen vielen ze op den grond en snorkten, maar ook dat duurde niet lang. [5]
Synoniemen

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen