brioche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bri·o·che
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brioche brioches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

brioche m/v

  1. (voeding) zacht en luchtig zoet brood of broodje
    • Een rilette zou hij voor haar maken en brioche met ganzenlever, nog één keer zonder te proeven, speciaal voor haar, en dan zou hij gaan. [3]

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

brioche v

  1. (voeding) zoet broodje, brioche
  2. (spreektaal) (figuurlijk) buikje, pens
    «Arthur, il prend de la brioche
    Arthur krijgt een buikje. [1]

Verwijzingen