brio

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brio
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Italiaans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord brio
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brio m/o [2]

  1. (muziek) con brio: met veel enthousiasme
    • Tijdens deze eucharistieviering gaan pastoor Oortman en pater Westendorp voor. Er is zang van het jongerenkoor Con Brio en het dames- en herenkoor. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen