brevier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bre·vier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gebedenboek’ voor het eerst aangetroffen in 1461 [1]
  • Afkomstig van het Latijnse breviarium (kort overzicht)
enkelvoud meervoud
naamwoord brevier brevieren
verkleinwoord breviertje breviertjes

Zelfstandig naamwoord

brevier o

  1. katholiek gebedenboek opgeplitst in vier delen, voor elk jaargetijde één
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders
58 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
brevieren

brevier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brevieren
    • Ik brevier. 
  2. gebiedende wijs van brevieren
    • Brevier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brevieren
    • Brevier je? 

Verwijzingen