Naar inhoud springen

bretels

Uit WikiWoordenboek
  • bre·tels

de bretels mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bretel
    ▸ 'Het is niet dat ik geen bretels heb,' verklaarde hij, 'maar juist toen ik hiernaartoe liep voelde ik een knoop springen.[1]
    ▸ Hoe dan ook, de deur ging nu open en hij verscheen, bleek boven zijn rossige bakkebaarden, zijn bretels nog steeds onder de zoom van zijn jasje bungelend, zijn boordloze overhemd nog steeds loshangend bij zijn hals.[2]
    ▸ Hun vraag of ze hun bretels en spullen terug konden krijgen werd eerst genegeerd, maar later kregen ze toch alles terug, inclusief het ijzerdraad waarmee hun handen vastgebonden waren geweest.[3]
94 %van de Nederlanders;
73 %van de Vlamingen.[4]