breidelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brei·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
breidelen
breidelde
gebreideld
zwak -d volledig

Werkwoord

breidelen

  1. overgankelijk (paardrijden) een paard een breidel aandoen
  2. overgankelijk dienstbaar of onderhorig maken
    • De pers werd gebreideld en alle openbare discussie over de grieven tot een hachelijke zaak gemaakt. 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders
69 % van de Vlamingen.