breidelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brei·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
breidelen
breidelde
gebreideld
zwak -d volledig

Werkwoord

breidelen

  1. (overgankelijk) (paardrijden) een paard een breidel aandoen
  2. (overgankelijk) dienstbaar of onderhorig maken
    De pers werd gebreideld en alle openbare discussie over de grieven tot een hachelijke zaak gemaakt.