breek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breek

Werkwoord

vervoeging van
breken

breek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van breken
    • Ik breek. 
  2. gebiedende wijs van breken
    • Breek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van breken
    • Breek je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be