brasa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·sa
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brasa brasa's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

brasa v / m

  1. liefdevolle omsluiting in de armen
     Hij wilde me een stevige brasa geven, een omhelzing, maar ik hield hem tegen en vroeg hem om afstand te houden.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

13 % van de Nederlanders;
7 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. brasa op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 20 mei 2020 Weblink bron Nina Jurna “‘Ik doe werk dat publieke omroep moet doen’” (14 april 2020) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Werkwoord

vervoeging van
braser

brasa

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van braser
Anagrammen


Papiaments

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

  1. omhelzen

Zelfstandig naamwoord

  1. omhelzing


Surinaams

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

  1. omhelzen

Zelfstandig naamwoord

  1. omhelzing


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·sa
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het werkwoord 'brasa' (branden, knetteren) uit de Zweedse streektal; een klanknabootsend woord (onomatopee)
Naar frequentie 11102
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   brasa     brasan     brasor     brasorna  
genitief   brasas     brasans     brasors     brasornas  

Zelfstandig naamwoord

brasa, g

  1. brand
Hyponiemen
Meroniemen