brandschatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand·schat·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brandschatten
/ˈbrɑntsxɑtə(n)/
brandschatte
/ˈbrɑntsxɑtə/
gebrandschat
(NL) /ɣəˈbrɑntsxɑt/
(VL) /ʝəˈbrɑntsxɑt/
zwak -t volledig

Werkwoord

brandschatten

  1. (overgankelijk) in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
    De soldaten die geen soldij kregen, trokken door het land en brandschatten of plunderden steden en dorpen.
Vertalingen