brachiaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·chi·aal
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'brac(c)hialis' [van de arm] met het achtervoegsel -aal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen brachiaal brachialer brachiaalst
verbogen brachiale brachialere brachiaalste
partitief brachiaals brachialers -

Bijvoeglijk naamwoord

brachiaal

  1. (anatomie) tot de arm of bovenarm behorend

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.