bozig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van boos met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bozig boziger bozigst
verbogen bozige bozigere bozigste
partitief bozigs bozigers -

Bijvoeglijk naamwoord

bozig [1]

  1. op een boze manier
    • Door bozig te vertrekken brengt hij zijn "America first"-boodschap voor het voetlicht. [2] 
    • "Hela, hou ’s op", zeg ik quasi bozig. "Opeens allemaal tegelijk praten, daar heb ik een broertje dood aan." [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.

Verwijzingen