Naar inhoud springen

bovenstandig

Uit WikiWoordenboek
1. vissenkop, 2. baarddraad, 3. neus, 4. kieuwen met kieuwspleet, 5. borstvin, 6. rugvin/vetvin, 7. staartvin, 8. zijlijn, 9. anaalvin, 10. ?, 11. buikvin/zijvin, 12. staartwortel.
Bek: bovenstandig, eindstandig, onderstandig.
Boven-, tussen- en onderstandig vruchtbeginsel
  • bo·ven·stan·dig
  • Samenstellende afleiding van boven en stand met het achtervoegsel -ig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen bovenstandigbovenstandigerbovenstandigst
verbogen bovenstandigebovenstandigerebovenstandigste
partitief bovenstandigsbovenstandigers-

bovenstandig

  1. (dierkunde) bij vissen een bepaalde stand van de bek, waarbij de bek naar boven wijst.
  2. (beschrijvende plantkunde) boven de plaats waar de kelk en de kroon zijn ingeplant zich bevindend
    • Een bovenstandig vruchtbeginsel.[1]