boudoir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bou·doir
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘damesvertrek’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
  • Van het Franse boudoir [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord boudoir boudoirs
verkleinwoord boudoirtje boudoirtjes

Zelfstandig naamwoord

boudoir o

  1. klein vertrek, speciaal bedoeld voor dames om zich om te kleden en op te frissen
    • Zij sloot zich in haar boudoir op en liet zich op een stoel neerzinken[3] 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  boudoir     le boudoir     boudoirs     les boudoirs  

Zelfstandig naamwoord

boudoir m

  1. boudoir